Handelingsgericht Werken
Voor wat betreft de organisatie van ons onderwijs in de klas, laten wij ons in toenemende mate leiden door het zogenaamde handelingsgericht werken. Op die manier proberen we de kwaliteit van het onderwijs en de begeleiding voor alle leerlingen te verbeteren. Door handelingsgericht te werken gaan we effectiever om met de verschillen die er tussen de kinderen zijn en bieden we ze een doeltreffender begeleiding.
Het Handelingsgericht Werken gaat uit van zeven uitgangspunten:
Onderwijsbehoeften staan centraal:
De leerkracht gaat na wat de leerling nodig heeft om de vooraf vastgestelde doelen te behalen. We gaan er daarbij vanuit dat de klas globaal in te delen is in drie (sub)groepen, elk met hun eigen behoefte aan begeleiding en aanbod. Die behoefte aan begeleiding en aanbod noemen we onderwijsbehoefte. We onderscheiden de volgende drie (sub)groepen:
1. De groep kinderen die de leerstof zeer snel beheerst en extra uitdaging nodig hebben. Zij scoren over het algemeen hoog tot zéér hoog op de citotoetsen. Deze kinderen hebben behoefte aan moeilijkere opdrachten, ruimte voor eigen oplossingen, een korte uitleg, weinig inoefening en het kunnen kiezen uit meer manieren om tot een oplossing te komen.
2. De groep kinderen die het gewone basisprogramma van de klas volgen. Dit is over het algemeen de grootste groep. Zij scoren niet opvallend hoog of laag op de citotoetsen. Deze groep heeft geen specifieke onderwijsbehoeften.
3. De groep kinderen die wat meer intensief door de leerkracht moet worden begeleid. Zij scoren over het algemeen wat lager op de citotoetsen. Deze groep heeft behoefte aan meer instructie, meer inoefening, één manier om te komen tot een oplossing en extra ondersteuning van het zelfvertrouwen.
De kinderen uit de eerste groep mogen sneller zelf aan het werk. Zij hoeven minder van hetzelfde te doen, maar krijgen daarvoor in de plaats extra uitdagend werk. We maken gebruik van het aanbod van Mind. De begeleiding van het extra werk vindt zoveel mogelijk in de klas plaats. Eens in de week worden sommigen door meneer Erny begeleid.
De kinderen van de tweede groep doen de hele les mee met de klas. Na een uitvoerige instructie worden zij zelfstandig aan het werk gezet. Nadat de leerkracht aan de derde groep en eventueel de eerste groep nog een extra uitleg heeft gegeven, begeleidt de leerkracht het zelfstandig werken.
De derde groep krijgt na de klassikale uitleg, nog een extra instructie van de leerkracht. Vaak wordt hiervoor materiaal gebruikt. Tijdens het zelfstandig werken richten deze kinderen zich alleen op de kern van de les. De leerkracht zoekt naar manieren waarop de kinderen ondersteund kunnen worden tijdens het zelfstandig werken, zodat ook zij zelfstandig aan de slag kunnen.
De manier waarop de leerkracht zijn onderwijs in de klas vorm geeft, vat hij samen in een zogenaamd groepsplan. In zo’n groepsplan vind je de drie (sub)groepen terug, alsmede de doelen die de leerkracht voor die groepen nastreeft en op welke manier dat gebeurt. Dat betekent dat er veel minder handelingsplannen worden geschreven. De begeleiding van kinderen die extra uitdaging of meer intensieve begeleiding nodig hebben, is al in het groepsplan geregeld. Er zijn echter altijd kinderen die behoefte hebben aan nog meer ondersteuning, omdat zij bijvoorbeeld een leer- of gedragshandicap hebben. Voor deze kinderen wordt een extra aantekening op het groepsplan gemaakt of er wordt, wanneer er specifieke doelstellingen worden nagestreefd, een individueel handelingsplan voor hen geschreven. We zijn daar echter terughoudend in, omdat het teveel fragmenteren van aandacht niet effectief is.
Er is sprake van afstemming en wisselwerking:
De leerkracht denkt na over hoe zij tot een zo gunstig mogelijk onderwijsklimaat voor elk individueel kind kan komen? Door goed te kijken naar de wisselwerking tussen leerling en leerkracht, leerlingen onderling, kind en ouders en school en ouders, kunnen we de situatie rondom kinderen beter begrijpen en goede, passende oplossingen zoeken. We gaan daarvoor in gesprek met ouders en/of leerlingen, maar ook tussen collega’s onderling wordt veel overlegd. In de groeps- en leerlingbesprekingen worden uitkomsten en oplossingen besproken met IB-er en bouwcoördinatoren.
Het is de leerkracht die het doet:
Als school hebben we oog voor wat de leerkracht nodig heeft om de juiste aanpak te kunnen bieden. De leerkracht is binnen de school de belangrijkste factor die invloed heeft op leerlingen. De leerkracht staat er echter niet alleen voor, hij/zij krijgt bijvoorbeeld ondersteuning van IB-er, bouwcoördinator, directeur en extern deskundigen door middel van bijvoorbeeld groeps- en leerlingbesprekingen, coaching, klassenbezoeken en cursussen.
Positieve aspecten zijn van groot belang:
Leerkrachten gaan op zoek naar positieve aspecten die mogelijkheden bieden bij het oplossen van problemen. Ze gaan uit van de mogelijkheden i.p.v. de problemen. Ze proberen hierdoor een tunnelvisie te voorkomen. Leerkrachten gaan op zoek naar positieve aspecten van:
· het kind kan bijvoorbeeld sociaal vaardig, cognitief sterk en/of creatief zijn;
· de leerkracht kan bijvoorbeeld heldere instructie geven en/of een goed empatisch vermogen hebben;
· de groep kan bijvoorbeeld hardwerkend zijn, goed zijn in de acceptatie van anderen en/of goed zijn in het elkaar helpen;
· de school kan bijvoorbeeld goed samenwerken met ouders en/of een veilig schoolklimaat bieden;
· de ouders kunnen bijvoorbeeld veel betrokkenheid tonen en/of het kind veel ondersteuning bieden.
Constructieve samenwerking tussen alle betrokkenen:
Leerkrachten gaan op zoek naar de wijze waarop de samenwerking tussen alle betrokkenen de prestaties van de kinderen kan optimaliseren? Goede communicatie met ouders en leerlingen staat centraal. De school en de leerkrachten praten met in plaats van over of tegen ouders en leerlingen. Handelingsgericht werken is tweerichtingsverkeer. In het gesprek heeft ieder zijn eigen rol:
de leerkracht als onderwijsprofessional;
de ouder als ervaringsdeskundige;
de leerling als mederegisseur van het eigen leerproces.
Er wordt doelgericht gewerkt:
De leerkracht en de school denken na over waar zij naartoe willen en wat zij daarvoor nodig hebben. Ze denken na over wat ze willen bereiken en formuleren daarvoor heldere, ambitieuze doelen. De doelen zijn zichtbaar in een schoolplan en groepsplannen en worden geëvalueerd in een cyclus van planmatig handelen. We spreken hoge maar reële verwachtingen uit en reflecteren daarop.
Er is sprake van een systematische, transparante werkwijze:
De school/leerkracht is open over het werk dat ze doet, heeft gedaan en dat ze van plan is te doen, alsook over de motieven hiervoor.
Voor, tijdens en na groeps- en leerlingbesprekingen worden de volgende stappen doorlopen:
· verzamelen en analyseren van leerlinggegevens;
· signaleren van leerlingen die extra begeleiding nodig hebben;
· clusteren van leerlingen die dezelfde begeleiding nodig hebben;
· opstellen van een groepsplan;
· uitvoeren van het groepsplan;
· evalueren van het groepsplan.
Stap voor stap zijn we bezig deze uitgangspunten binnen ons onderwijs vorm te geven. Sommige uitgangspunten zijn al duidelijk zichtbaar, aan andere moet nog hard gewerkt worden. Binnen ons samenwerkingsverband hebben we afgesproken dat alle scholen eind 2014 min of meer handelingsgericht moeten werken. Wij zijn al goed op weg. Handelingsgericht werken vraagt echter niet alleen een inspanning van de school. Ook ouders hebben hun verantwoordelijkheid te nemen. De goede opkomst tijdens de informatieavonden is wat dat betreft erg hoopgevend. Samen zorgen we ervoor dat de kinderen van de Tuimelaar zich ontwikkelen op het niveau dat bij hen past.